Een zeer kleine geschiedenis van de Nijmeegse weeshuizen

Ontstaan uit nalatenschap Stijn Buys

De geschiedenis van stichting De Beide Weeshuizen gaat terug tot 1554. Op 11 maart van dat jaar liet de katholieke weduwe Stijn (Elisabeth) Buys haar testament opmaken. Om te voorkomen dat er na haar overlijden over haar nalatenschap onenigheid zou ontstaan tussen haar verwanten, liet ze officieel vastleggen wat er met haar erfenis zou moeten gebeuren. Een gedeelte zou gaan naar kerken, godshuizen, bloedverwanten en vrienden. De rest zou moeten worden gebruikt voor de oprichting van een stedelijk weeshuis. Hierin konden dan ‘die kleyne arme verlaten weeskens’ van Nijmeegse komaf worden ondergebracht en opgevoed. Zodoende kon elke weesjongen en elk weesmeisje naar zijn of haar aanleg of kwaliteit een vak leren.

Eerste namenbord van de provisoren start met 1560

Burger Weeshuis stedelijke instelling

Na het overlijden van Stijn Buys – vermoedelijk in 1557 – gingen de executeurs van haar testament uitvoering geven aan haar laatste wil. Maar het bedrag uit de nalatenschap dat bestemd was voor een weeshuis, was onvoldoende. Nadat het stadsbestuur en enkele Nijmeegse burgers te hulp waren geschoten, kon alsnog een huis met erf in de Broerstraat worden gekocht, bestemd voor zes ‘knechtkens’ en zes ‘meiskens’. Op 31 januari 1560 traden door het stadsbestuur aangewezen provisoren (later regenten genoemd) aan en kon het Burger Weeshuis officieel gaan functioneren. Hoewel op particulier initiatief ontstaan, was het weeshuis feitelijk een stedelijke instelling die ten goede kwam aan de toenmalige Nijmeegse samenleving.

Weesmeisjes uit 1929

Weesmeisjes uit 1929

Alleen voor ‘echte’ Nijmeegse wezen

Op 6 maart 1560 stelde het stadsbestuur het reglement vast van het weeshuis. Dit reglement bepaalde dat alleen ouderloos geworden kinderen konden worden opgenomen die uit wettige huwelijken waren geboren. Bovendien moesten hun overleden ouders in Nijmegen geboren zijn, altijd in de stad hebben gewoond en minstens zes jaar in het bezit van stadsburgerrechten zijn geweest. Onder drie verschillende namen zou het Nijmeegse weeshuis de geschiedenis ingaan: Burger Weeshuis, Borger Kinderen Weeshuis en Burger Kinderen Weeshuis.

Het Nijmeegse weeshuis was het tiende in het land. Het eerste weeshuis binnen de grenzen van het huidige Nederland werd in 1491 in Utrecht opgericht.

De hoofdpoort van het weeshuis aan de Begijnenstraat

Van Broerstraat naar Begijnenstraat

Al snel na de ingebruikname van het bouwvallige, kleine pand aan de Broerstraat bleek het niet te voldoen. Begin 1562 – twee jaar na de start - kochten de provisoren dan ook een betere accommodatie voor de aan hun zorgen toevertrouwde wezen: een ruim huis met enkele bijgebouwen en een open plaats aan de Begijnengas, tegenwoordig Begijnenstraat 29. Dit gebouw, dat dikwijls verbouwd en gerestaureerd is, heeft van 1562 tot 1953, dus bijna vier eeuwen lang, Nijmeegse weeskinderen gehuisvest. Daarna heeft het diverse bestemmingen gekend. Sinds 1982 is het in gebruik als gezondheidscentrum.

Van katholiek naar protestant

Het Nijmeegse Burger Weeshuis had van oorsprong een katholieke signatuur. Op bevel van stadhouder Maurits van Nassau, die in het najaar van 1591 het nog overwegend Spaansgezinde en katholieke Nijmegen veroverde, werd het weeshuis echter gedwongen een protestantse instelling te worden. Vanaf 1592 kregen de wezen in het Nijmeegse Burger Weeshuis dan ook een gereformeerde opvoeding.

1638: stichting tweede weeshuis

Maar wat te doen met weeskinderen die niet aan de vereisten voldeden, zoals die waren vastgelegd door het stadsbestuur? Die niet waren geboren uit een wettig huwelijk, van wie de ouders niet in Nijmegen waren geboren en geen stadsburgerrechten hadden gehad? Zoals vondelingen en kinderen van in Nijmegen gelegerde militairen. Zeker na de pestepidemie die in de jaren 1636-1637 duizenden slachtoffers in Nijmegen had gemaakt, was het wezenprobleem zodanig gegroeid, dat het stadsbestuur wel moest ingrijpen. Het stelde in 1638 het voormalige zusterklooster op de Hessenberg aan de Doddendaal ter beschikking voor de huisvesting van de ouderloze kinderen die niet in aanmerking kwamen voor het weeshuis aan de Begijnenstraat. De nieuwe instelling aan de Doddendaal kreeg de naam: Arme Kinderen Weeshuis.

Aldus beschikte Nijmegen vanaf 1638 over twee weeshuizen: een voor ‘echte’ Nijmeegse weeskinderen, en een voor de ‘onechte’. Respectievelijk het Nijmeegse Burger Weeshuis en het Arme Kinderen Weeshuis.

1817: onder gemeenschappelijk beheer

Een kleine twee eeuwen later veranderden de twee weeshuizen echter van naam. Dat had te maken met het einde van de Franse bezetting (1814). De nieuwe politieke situatie leidde voor de twee Nijmeegse weeshuizen tot een nieuw reglement. Een belangrijk punt daarin was dat voortaan de confessie van de overleden ouders de doorslag gaf bij de beslissing in welk weeshuis een ouderloos geworden kind moest worden opgenomen. Zodoende werd het Arme Burger Kinderen Weeshuis omgedoopt tot Protestants Weeshuis en het Arme Kinderen Weeshuis tot Katholiek Weeshuis. Het nieuwe reglement hield bovendien in dat de fondsen van de twee weeshuizen voortaan gezamenlijk beheerd werden door een college van acht regenten, van wie er vier katholiek moesten zijn en vier protestant. Zodoende waren de twee Nijmeegse weeshuizen vanaf 1817 naar confessie gescheiden, terwijl ze onder gemeenschappelijk beheer stonden. Zo zou het blijven tot halverwege de 20ste eeuw. In 1953 werden de twee weeshuizen gesloten. Daarna heeft het protestante weeshuis diverse bestemmingen gekend. Sinds 1982 is het voorste deel van het pand aan de Begijnenstraat 29 in gebruik als gezondheidscentrum. Hier bevindt zich ook de regentenkamer die nog altijd als zodanig (vergaderkamer van de regenten) wordt gebruikt. Het katholieke weeshuis heeft eveneens diverse bestemmingen gekend, maar een groot deel ervan heeft de slopershamer niet kunnen weerstaan. Van wat nog resteerde, werd omgebouwd tot restaurant dat in 2019 zijn deuren opende.

Weesjongens in 1917

Wezen: sobere en strenge opvoeding

Eeuwenlang leidden de wezen een eentonig en sober gestichtsleven, met vooral veel regels, en strenge straffen voor wie zich er niet aan hield. Geen ontbijt voor wie te laat  was opgestaan en zijn of haar genummerde bed niet had afgehaald, was nog een milde straf vergeleken met opsluiting in een 'pikdonker, vunzig onderaards cachot' voor wie hardleers bleek of zich obstinaat gedroeg. Buiten de interne school, de naaikamer, de keuken of de werkplaats van een baas, was er maar weinig vermaak voor de weeskinderen. Er waren nauwelijks boeken of mogelijkheden om te spelen. Alleen een potje kaarten werd gedoogd. Wie zou niet obstinaat worden van de straffe regels en de dodelijke verveling? Willen vluchten of aan de drank raken? Tot het begin van de twintigste eeuw golden in de twee Nijmeegse weeshuizen zeer strenge straffen.

Weesmeisje 1920

Weesmeisje 1920

Wezen: bescheiden opleidingsmogelijkheden

Meer dan drie eeuwen lang waren de opleidingsmogelijkheden zeer bescheiden. Weesmeisjes werden vanaf hun tiende jaar 'opgeleid' tot naaister of dienstbode, jongens leerden vanaf hun veertiende een vak bij een baas. Vanaf het eind van de negentiende eeuw mochten talentvolle meisjes en jongens ook voor een ander beroep of ambacht worden opgeleid. Sommigen werden onderwijzer of onderwijzeres, enkele jongens mochten naar de marine. In het katholieke huis werd een pupil zelfs priester, en in het protestantse huis heeft een jongen, met een renteloze lening van de twee weeshuizen, voor arts kunnen studeren. Gewoonlijk bleven de weesjongens en –meisjes tot rond hun twintigste levensjaar in het weeshuis wonen.

In de loop der eeuwen hebben de weeskinderen altijd lager onderwijs kunnen volgen. Aanvankelijk bezochten ze katholieke en protestante scholen in de stad, maar vanaf ongeveer 1700 kregen ze in het weeshuis les van onderwijzers en onderwijzeressen. Dit intern onderwijs verdween rond 1900; de weeskinderen bezochten vanaf toen weer scholen in het centrum van Nijmegen.

Weeskinderen 1920

Weeskinderen 1920

Wezen: door hun kleding letterlijk getekende mensen

Toen koning Lodewijk Napoleon in 1808 een bezoek bracht aan de Nijmeegse wezen ergerde hij zich aan hun dwaze, clowneske kleding. Het narrenpak van rood-zwarte stijve stof nodigde uit om met minachting behandeld te worden, zo meende de Franse monarch. Tot genoegen van de weeskinderen kregen ze dan ook snel nieuwe uniformen. Meisjes gingen donkere jurken dragen met witte schorten, jongens een donkergekleurde buis, een nauwsluitend kort jasje zonder panden. Aan witte knoopjes op de petten en witte biesjes op de scheiding van mouw en schouder was te zien dat een kind katholiek was. Protestante weeskinderen hadden rode knoopjes en biesjes. Allen droegen echter nog een duidelijker brandmerk: een geborduurde W op een van de mouwen. Wezen waren tot in de twintigste eeuw, ook door hun uniforme kleding, 'getekende' mensen. In 1935 schafte weesvader L.J van der Werf de uniformen af. De oude klederdrachten werden in 1940 vastgelegd in twee schilderijen van de Nijmeegse kunstenaar Wim van Woerkom. In de beide Nijmeegse weeshuizen leefden jongens en meisjes overigens strikt gescheiden van elkaar.

Weeskinderen 1920

Laatste huisvader en -moeder, Van der Werf 

Weeshuisouders

In de twee Nijmeegse weeshuizen waren de kinderen toevertrouwd aan de zorg van een weeshuisvader en weeshuismoeder, gewoonlijk een echtpaar, met soms ook eigen kinderen. De weeskinderen noemden hen vader en moeder. Waren de weeskinderen op vakantie of hadden ze het weeshuis al verlaten en kregen ze post van hun weeshuisvader en -moeder, dan was de brief of kaart ook ondertekend met ‘vader’ en ‘moeder’.

Vanaf 1900 mocht de weeshuisvader ook de titel ‘directeur’ voeren, maar deze naam veranderde weinig aan zijn positie. Weeshuisouders hadden de wil van de regenten te volgen.

Van inkomsten verzekerd

De twee stedelijke weeshuizen konden alleen levensvatbaar zijn als ze van inkomsten verzekerd waren. Vanaf hun oprichting hebben de weeshuizen jaarlijks geld ontvangen van het Nijmeegse stadsbestuur. Ook werd elk jaar een huis-aan-huis-collecte georganiseerd en werden op strategische plekken, zoals herbergen, collectebussen geplaatst. Extra inkomsten werden verkregen doordat Nijmeegse burgers – doorgaans via hun testament – de weeshuizen bedachten met onroerend goed binnen en buiten de stad of met jaarrenten die op een huis of stuk land rustten. Het weeshuis aan de Begijnenstraat ontving daarnaast geld van drie Nijmeegse broederschappen, dat aan de Hesseberg verkreeg extra inkomsten van de Diaconie van de Huisarmen en door het vervaardigen en verhuren van lijkleden.

Laatste Huisvader Moeder Begijnenstraat Vd Werf

De weeshuizen sluiten

Toen in 1953 in de beide weeshuizen samen nog slechts zestien kinderen woonden was het uit financieel-economisch oogpunt niet langer verantwoord, zelfs onmogelijk, nog twee weeshuizen te blijven exploiteren. De nog aanwezige weeskinderen werden op kosten van de twee weeshuizen als ‘bestedelingen’ in pleeggezinnen geplaatst en de weeshuizen sloten hun deuren.

De panden werden verkocht en in de loop der volgende jaren ook de bezittingen. Onder handhaving van de naam ‘De Beide Weeshuizen’ gingen de regenten op zoek naar nieuwe doelstellingen op het terrein van kinderbescherming en jeugdzorg. In eerste instantie richtte het College van Regenten zich op geestelijk gehandicapte kleuters en opende in 1965 een kleuterdagverblijf voor zodanige kinderen in de Borneostraat: kleuterdagverblijf Stijntje Buys. Dit heeft bestaan tot 1986, toen Stijntje Buys als stichting opging in de Nijmeegse Stichting voor Semi-Murale Zorg. De inmiddels in 1979 opgerichte stichting De Beide Weeshuizen ging zich, tot op de dag van vandaag, toeleggen op hulpverlening aan jongeren in nood, in achterstandsituaties of (dreigend) isolement.


FIN logo  ambi logo

(c) 2021 De Beide Weeshuizen